Een lezer van Grenzenloos stuurde mij onlangs een interessante vraag. Hij woont sinds 2005 in België, heeft zijn hele werkzame leven in Nederland gewerkt en daar pensioen opgebouwd. In november 2027 gaat hij met pensioen. De laatste maanden leest hij in Belgische media steeds vaker berichten over veranderingen in de belastingheffing voor gepensioneerden.
Zijn belangrijkste vraag: wordt het straks fiscaal veel ongunstiger om als Nederlandse gepensioneerde in België te wonen?
Hij had bovendien begrepen dat België een nieuw belastingverdrag met Nederland heeft ondertekend, waardoor Nederlanders met een Nederlands pensioen mogelijk meer belasting zouden moeten betalen. Daarbij kwam de bekende grens van €25.000 per jaar ter sprake. En als je uiteindelijk toch in Nederland belasting moet betalen, vroeg hij zich af, kun je dan misschien ook weer profiteren van Nederlandse fiscale voordelen zoals de hypotheekrenteaftrek?
Het zijn goede vragen. Zeker omdat er op dit moment verschillende ontwikkelingen door elkaar lopen. Er is een nieuw belastingverdrag tussen Nederland en België, er is deze zomer in België een wijziging van de personenbelasting doorgevoerd en in maart 2026 heeft de Nederlandse Hoge Raad een belangrijke uitspraak gedaan over Nederlanders die in België wonen en een Nederlands pensioen ontvangen.
Dat zijn drie verschillende zaken. Wie ze op één hoop gooit, kan gemakkelijk de indruk krijgen dat er plotseling een nieuwe belastingheffing voor Nederlandse gepensioneerden in België aankomt. Zo eenvoudig ligt het gelukkig niet.
Het nieuwe belastingverdrag geldt nog niet
Om te beginnen moet een belangrijk misverstand uit de wereld worden geholpen. België heeft niet onlangs op eigen houtje een nieuw belastingverdrag met Nederland ondertekend. Nederland en België hebben dat gezamenlijk al op 21 juni 2023 gedaan. Toch geldt dit nieuwe verdrag ruim drie jaar later nog steeds niet.
In de officiële Nederlandse Verdragenbank staat op dit moment nog altijd geen datum van inwerkingtreding vermeld. De Nederlandse regering liet in april 2026 weten dat Nederland en België nog bezig waren met een gezamenlijke toelichting op het verdrag. Die toelichting was toen vrijwel afgerond. Het streven is om het verdrag in 2026 voor goedkeuring aan de Tweede Kamer voor te leggen. Aan Belgische zijde is het proces nog wat ingewikkelder, omdat ook de Gewesten en Gemeenschappen hun goedkeuring moeten geven.
We kunnen op 21 augustus 2026 dus nog niet zeggen wanneer het nieuwe belastingverdrag daadwerkelijk gaat gelden. In artikel 28 is wel vastgelegd wat er daarna gebeurt. Zodra beide landen alle procedures hebben afgerond, treedt het verdrag formeel in werking op de laatste dag van de daaropvolgende maand. Voor de belastingheffing worden de nieuwe regels vervolgens toegepast vanaf 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar.
Voor iemand die in november 2027 met pensioen gaat, is daardoor op dit moment nog niet met zekerheid te zeggen of tegen die tijd het oude of het nieuwe belastingverdrag van toepassing zal zijn. Voor pensioenen maakt dat overigens minder verschil dan je misschien zou verwachten.
De pensioenregeling verandert nauwelijks
Wie verwacht dat Nederland en België in het nieuwe verdrag een compleet nieuwe regeling voor pensioenen hebben afgesproken, komt bedrogen uit. De hoofdregel blijft dat een particulier pensioen in principe wordt belast in het land waar je woont. Woon je in België en ontvang je een Nederlands bedrijfspensioen, dan ligt het heffingsrecht dus in beginsel bij België.
Ook uitkeringen op grond van de sociale wetgeving, waaronder de AOW, vallen in het nieuwe verdrag in beginsel onder de woonstaatheffing. Voor overheidspensioenen bestaat een aparte regeling. Die worden doorgaans belast door het land waarvoor de overheidsdiensten zijn verricht. Bij een pensioen dat gedeeltelijk bij de overheid en gedeeltelijk in het bedrijfsleven is opgebouwd, kan zelfs een splitsing nodig zijn. Het feit dat een pensioen bijvoorbeeld door ABP wordt uitgekeerd, zegt op zichzelf nog niet voldoende. Er moet worden gekeken naar de dienstbetrekkingen waarin het pensioen is opgebouwd.
Voor de meeste Nederlanders die in België wonen en een gewoon Nederlands bedrijfspensioen ontvangen, blijft België dus het uitgangspunt. Daarbij bestaat echter een belangrijke uitzondering. En juist over die uitzondering ontstaat veel verwarring.
Die grens van €25.000 werkt anders dan veel mensen denken
In het huidige belastingverdrag staat een bijzondere bepaling voor pensioenen. Diezelfde regeling is vrijwel ongewijzigd opgenomen in artikel 16 van het nieuwe verdrag. Nederland kan onder bepaalde omstandigheden toch belasting heffen over een Nederlands pensioen van iemand die in België woont. Daarvoor moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan.
Bij een particulier pensioen moet de pensioenopbouw in Nederland fiscaal zijn gefacilieerd. Dat is bij de meeste gewone Nederlandse werknemerspensioenen het geval, omdat tijdens de opbouw bijvoorbeeld geen inkomstenbelasting over de werkgevers- en werknemerspremies werd betaald.
Daarnaast is van belang hoe België het pensioen belast. Nederland kan pas als bronstaat in beeld komen als het pensioen in België niet tegen het normale tarief voor arbeidsinkomsten wordt belast, of als minder dan 90 procent van het brutobedrag daadwerkelijk in de Belgische belastingheffing wordt betrokken.
Vervolgens geldt de grens van €25.000 per kalenderjaar. De bronstaatregeling kan pas worden toegepast wanneer het totale brutobedrag van de betrokken pensioen- en lijfrente-inkomsten boven die grens uitkomt. (Artikel 16 van het nieuwe belastingverdrag Nederland-België) (Wetten Overheid)
Daaruit volgt dus niet: “Mijn Nederlandse pensioen is hoger dan €25.000, dus voortaan betaal ik belasting in Nederland.” Dat is te kort door de bocht. De manier waarop België het pensioen fiscaal behandelt, blijft van doorslaggevend belang.
De Hoge Raad gaf in maart 2026 duidelijkheid
Precies over deze €25.000-regel liep jarenlang een procedure die uiteindelijk bij de Hoge Raad terechtkwam. Op 13 maart 2026 deed de Hoge Raad daarover een belangrijke uitspraak.
De zaak ging over een Nederlander die in België woonde en jaarlijks ruim €29.000 aan Nederlands pensioen ontving, aangevuld met een relatief kleine Nederlandse lijfrente. Een gedeelte van zijn pensioen werd in België gewoon tegen het progressieve tarief belast. Een veel groter gedeelte was vóór 2004 opgebouwd en kreeg in België een bijzondere fiscale behandeling. Voor dat oudere gedeelte werd niet de volledige pensioenuitkering belast. België ging uit van 3 procent van het pensioenkapitaal per 1 januari 2004 en hief daarover vervolgens 30 procent belasting.
Nederland vond dat hierdoor de verdragsuitzondering van toepassing was.
De Hoge Raad heeft vervolgens twee belangrijke zaken duidelijk gemaakt. Voor de vraag of de grens van €25.000 wordt overschreden, moet naar het totale relevante brutobedrag van de pensioen- en lijfrente-uitkeringen worden gekeken. Maar dat betekent vervolgens niet dat Nederland automatisch het volledige pensioen mag belasten. Voor het gedeelte dat België gewoon tegen het normale progressieve tarief belast, blijft het Belgische heffingsrecht in stand. Nederland kan alleen heffen over het gedeelte dat daadwerkelijk aan de voorwaarden voor de uitzondering voldoet. (Hoge Raad, 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:395) (Rechtspraak)
Dat is voor Nederlandse gepensioneerden in België een belangrijke nuance. De €25.000-grens is dus een drempel, geen automatische fiscale grensovergang waarbij het volledige Nederlandse pensioen ineens van België naar Nederland verhuist.
Vooral oudere pensioenrechten kunnen bijzonder worden behandeld
Dat in deze rechtszaak onderscheid werd gemaakt tussen pensioen dat vóór en na 2004 was opgebouwd, is geen toeval. België heeft bepaalde Nederlandse pensioenrechten die vóór 2004 zijn opgebouwd in het verleden onder voorwaarden anders behandeld dan gewone pensioeninkomsten. Daarbij kon een pensioen fiscaal worden beschouwd als een lijfrente tegen afstand van kapitaal. In dat geval werd niet simpelweg iedere ontvangen pensioenuitkering volledig tegen het progressieve Belgische tarief belast.
Juist zo’n gunstigere Belgische behandeling kan tot gevolg hebben dat Nederland op grond van het belastingverdrag alsnog een heffingsrecht krijgt.
Voor pensioenrechten die later zijn opgebouwd en in België gewoon volledig en progressief worden belast, speelt dit probleem meestal veel minder. Voor iemand die tientallen jaren in Nederland heeft gewerkt en al vóór 2004 pensioen heeft opgebouwd, is het daarom verstandig om niet uitsluitend naar het totale bedrag op de pensioenoverzichten te kijken. De precieze opbouwperiode en de Belgische fiscale kwalificatie kunnen belangrijk zijn.
België heeft deze zomer wél zijn eigen belastingregels veranderd
Dan is er nog een tweede ontwikkeling. En dit is waarschijnlijk een van de redenen waarom er de laatste tijd in België zoveel over belastingen en pensioenen wordt geschreven.
Op 29 juli 2026 verscheen een Belgische wet met wijzigingen in de personenbelasting in het Belgisch Staatsblad. Daarin is onder meer de belastingvermindering voor hogere pensioeninkomens aangepast. Vanaf aanslagjaar 2027 wordt deze vermindering bij hogere belastbare inkomens sneller afgebouwd. Dat kan er inderdaad toe leiden dat sommige gepensioneerden in België meer belasting gaan betalen. Maar dit heeft niets te maken met het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en België. Het is een Belgische binnenlandse belastingmaatregel en deze geldt niet speciaal voor Nederlanders.
De formulering dat de Belgische regering Nederlandse gepensioneerden met een nieuw verdrag “zwaarder wil straffen” is daarom niet juist. Er zijn wel degelijk veranderingen die voor hogere pensioeninkomens nadelig kunnen uitpakken, maar de oorzaak daarvan ligt bij de Belgische personenbelasting en niet bij een nieuwe afspraak waarmee België Nederlandse pensioenen naar zich toe zou trekken.
Hoe hoog is de belasting in België?
België heeft op papier behoorlijk hoge tarieven voor de personenbelasting. Voor inkomstenjaar 2026 gelden de volgende schijven: Tot €16.720 bedraagt het tarief 25 procent. Over het gedeelte tussen €16.720 en €29.510 betaal je 40 procent. Tussen €29.510 en €51.070 geldt 45 procent en over het inkomen daarboven 50 procent.
Daar staat voor 2026 een belastingvrije som van €11.180 tegenover. Bovendien bestaan er specifieke belastingverminderingen voor pensioeninkomsten. Je kunt daarom niet zeggen dat iemand met een pensioen van bijvoorbeeld €55.000 in België 50 procent belasting betaalt. Alleen het bovenste gedeelte van het inkomen valt in de hoogste belastingschijf en daar worden vervolgens nog belastingverminderingen in verwerkt.
Daarnaast heft de Belgische gemeente waar je woont een aanvullende gemeentebelasting. Het percentage daarvan verschilt per gemeente.
Een eenvoudige berekening laat goed zien hoe het systeem werkt. Stel dat iemand in 2026 €45.000 aan volledig belastbaar pensioeninkomen heeft en we laten alle persoonlijke omstandigheden even buiten beschouwing. Over de eerste €16.720 wordt €4.180 belasting berekend. Over de volgende €12.790 is dat €5.116 en over de resterende €15.490 ongeveer €6.971.
De basisbelasting komt dan uit op ongeveer €16.267. Door de belastingvrije som van €11.180 daalt die berekening met ongeveer €2.795 naar circa €13.472.
Dat is nog steeds niet het bedrag dat deze gepensioneerde uiteindelijk daadwerkelijk betaalt. De speciale belastingvermindering voor pensioen moet er nog in worden verwerkt en de gemeentebelasting moet er juist nog bij worden opgeteld. Ook een partner, andere inkomsten en aftrekposten kunnen het resultaat veranderen.
Een betrouwbare persoonlijke vergelijking vereist daarom aanzienlijk meer informatie dan alleen de hoogte van het pensioen.
Is Nederland goedkoper?
Daarmee komen we bij een logische vervolgvraag: als België zulke hoge tarieven heeft, zou het dan gunstiger zijn als Nederland het pensioen belast? Ook daarop bestaat geen algemeen antwoord.
In Nederland geldt in 2026 voor iemand die het gehele jaar de AOW-leeftijd heeft bereikt en geboren is op of na 1 januari 1946 een tarief van 17,85 procent over de eerste €38.883 in box 1. Over het gedeelte van €38.883 tot €78.426 bedraagt het tarief 37,56 procent en daarboven 49,50 procent. Het lage eerste tarief ontstaat vooral doordat iemand na het bereiken van de AOW-leeftijd geen AOW-premie meer betaalt.
Die 17,85 procent verklaart waarschijnlijk waar de gedachte vandaan komt dat een Nederlandse gepensioneerde ongeveer 19 procent belasting betaalt. Maar ook dat is een te eenvoudige voorstelling.
Nederland werkt eveneens met verschillende belastingschijven en heffingskortingen. Een AOW-gerechtigde kan in 2026 bijvoorbeeld recht hebben op maximaal €1.556 algemene heffingskorting en op een ouderenkorting van maximaal €2.067. Beide kortingen worden bij hogere inkomens afgebouwd.
Drie Nederlandse rekenvoorbeelden
Om een idee te geven kunnen we een fictieve gepensioneerde nemen die het hele jaar de AOW-leeftijd heeft, in Nederland woont, geboren is na 1945, geen aftrekposten heeft en uitsluitend box 1-inkomen uit AOW en pensioen ontvangt.
Bij een totaal inkomen van €30.000 bedraagt de heffing volgens de tarieven van 2026 eerst ongeveer €5.355. Na toepassing van de algemene heffingskorting en ouderenkorting resteert in dit vereenvoudigde voorbeeld ongeveer €1.740.
Bij een inkomen van €45.000 komt de belasting vóór kortingen uit op ongeveer €9.238. Na de algemene heffingskorting en ouderenkorting resteert circa €6.103.
Bij een inkomen van €65.000 loopt de berekende heffing op tot ongeveer €16.750. De algemene heffingskorting is dan grotendeels afgebouwd en de ouderenkorting is bij dit inkomen verdwenen. Er resteert ongeveer €16.321.
Deze bedragen zijn uitsluitend bedoeld om te laten zien dat “19 procent belasting” geen bruikbare algemene regel is. Ze houden bijvoorbeeld geen rekening met de zorgverzekering en zijn bovendien berekend voor iemand die in Nederland woont.
Voor iemand die in België woont maar over een deel van zijn pensioen Nederlandse inkomstenbelasting verschuldigd is, kan de berekening anders uitpakken. Je bent dan immers niet automatisch in Nederland premieplichtig voor alle volksverzekeringen en ook de heffingskortingen kunnen anders worden toegepast.
Vergeet de zorgbijdrage niet
Bij de keuze tussen wonen in Nederland of België moet je bovendien verder kijken dan de inkomstenbelasting. Een gepensioneerde die in België woont en ten laste van Nederland recht heeft op zorg, kan verdragsgerechtigd worden en via het CAK een verdragsbijdrage betalen. Die bijdrage bestaat uit een vast gedeelte en inkomensafhankelijke delen voor de Zvw en Wlz, waarop vervolgens de woonlandfactor wordt toegepast.
Voor België bedraagt de woonlandfactor in 2026 maar liefst 0,8165. De vaste nominale bijdrage komt daardoor uit op €128,19 per maand. Daarnaast bestaan inkomensafhankelijke bijdragen. (CAK, woonlandfactoren en bijdragen 2026)
Een vergelijking waarbij je uitsluitend de Belgische personenbelasting naast het Nederlandse inkomstenbelastingtarief legt, kan daarom een behoorlijk verkeerd beeld geven.
Kun je kiezen om in Nederland belasting te betalen?
Nee. Dat is eveneens een belangrijk punt uit de lezersvraag. Je kunt niet tegen de Belastingdienst zeggen dat je liever in Nederland belasting betaalt omdat dat toevallig voordeliger uitkomt. Nederland en België hebben in het belastingverdrag afgesproken welk land over welk inkomen belasting mag heffen. Pas wanneer Nederland volgens het verdrag een heffingsrecht heeft, komt de Nederlandse belastingheffing in beeld.
Hetzelfde geldt andersom. Dat België wellicht een hoger tarief hanteert, geeft een inwoner van België niet het recht om voor de Nederlandse belastingheffing te kiezen.
En hoe zit het dan met de hypotheekrenteaftrek?
De vraag over de hypotheekrenteaftrek is interessanter. Iemand die in België woont kan onder voorwaarden in Nederland worden aangemerkt als kwalificerend buitenlands belastingplichtige. Daarvoor moet je in een EU-land wonen en over minimaal 90 procent van je wereldinkomen in Nederland belasting betalen.
Wie aan die voorwaarde voldoet, kan in Nederland in veel opzichten dezelfde aftrekposten krijgen als iemand die in Nederland woont. Daaronder kan ook de hypotheekrente van de eigen woning in België vallen, mits uiteraard aan de normale voorwaarden voor hypotheekrenteaftrek wordt voldaan.
Maar hier zit meteen de complicatie. Als je in België woont en je AOW en bedrijfspensioen volgens het belastingverdrag grotendeels in België worden belast, betaal je waarschijnlijk geen Nederlandse belasting over 90 procent van je wereldinkomen. Dan voldoe je dus niet aan deze voorwaarde.
Als Nederland door de bijzondere pensioenregel wél vrijwel je gehele inkomen mag belasten, kan de situatie anders worden. Ook hier geldt daarom dat je de hypotheekrenteaftrek niet los kunt zien van de verdeling van het heffingsrecht tussen beide landen.
Is het straks nog aantrekkelijk om in België te blijven wonen?
Dat is uiteindelijk misschien wel de interessantste vraag uit de brief. Wie uitsluitend naar de hoogste belastingtarieven kijkt, zou kunnen concluderen dat Nederland aantrekkelijker is. Het Belgische tarief loopt immers al vrij snel op naar 40 en 45 procent en uiteindelijk naar 50 procent. Maar op basis daarvan zou ik niemand adviseren om te verhuizen.
Bij een vergelijking tussen Nederland en België moet je kijken naar het totale financiële plaatje. De hoogte en samenstelling van je AOW en pensioenen spelen een rol, net als de vraag wanneer het pensioen is opgebouwd. Daarnaast zijn je hypotheek, vermogen, partnerinkomen, zorgkosten en eventuele andere inkomsten van belang.
Ook de woning zelf kan de vergelijking compleet veranderen. Wie in België een vrijwel afbetaald huis heeft, kan financieel beter af zijn dan iemand die na terugkeer naar Nederland tegen de huidige woningprijzen opnieuw een woning moet kopen of huren.
Een verschil van enkele duizenden euro’s belasting per jaar valt dan al snel in het niet bij enkele tonnen verschil in woonlasten of woningwaarde. En natuurlijk is er nog een argument dat in fiscale berekeningen nogal eens wordt vergeten: je woont ergens omdat je daar wilt wonen.
Wie al sinds 2005 in België woont, daar vrienden heeft, zijn sociale leven heeft opgebouwd en zich er thuis voelt, zou een verhuizing naar Nederland niet uitsluitend moeten baseren op het verschil tussen twee percentages in een belastingtabel.
Wat betekent dit voor iemand die in november 2027 met pensioen gaat?
Voor de lezer die aanleiding gaf tot dit artikel zou mijn conclusie voorlopig daarom als volgt zijn: Hij hoeft er op dit moment niet vanuit te gaan dat het nieuwe belastingverdrag zijn Nederlandse pensioen vanaf november 2027 plotseling volledig onder de Nederlandse belastingheffing brengt. Het nieuwe verdrag is nog niet in werking en de belangrijkste pensioenbepaling blijft bovendien sterk lijken op de bestaande regeling.
Wel is het verstandig om ruim vóór pensionering te laten vaststellen uit welke onderdelen zijn pensioen bestaat. Heeft hij uitsluitend een gewoon bedrijfspensioen, ontvangt hij ook een overheidspensioen, hoeveel AOW krijgt hij en welk gedeelte van zijn aanvullende pensioen is vóór 2004 opgebouwd? Vooral dat laatste kan relevant zijn.
Daarnaast zal in 2027 opnieuw gekeken moeten worden naar de dan geldende Belgische en Nederlandse belastingtarieven. De cijfers in dit artikel zijn bewust gebaseerd op 2026, omdat de definitieve fiscale situatie voor het volledige jaar 2027 op dit moment nog niet vaststaat.
Wie in november van een jaar bovendien precies de AOW-leeftijd bereikt, krijgt in Nederland te maken met een bijzonder overgangstarief. Het tarief in de eerste belastingschijf hangt in het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt namelijk af van de maand waarin dat gebeurt. Ook daarom kun je niet simpelweg met 17,85 of 19 procent rekenen.
België wordt niet plotseling een fiscaal mijnenveld
De onrust onder Nederlandse gepensioneerden in België is begrijpelijk. Er gebeurt op fiscaal gebied momenteel behoorlijk veel. Maar het nieuwe belastingverdrag is niet de belastingbom die sommige berichten ervan maken.
Het verdrag werd al in juni 2023 door Nederland en België ondertekend, is in augustus 2026 nog steeds niet in werking getreden en verandert de basisregels voor particuliere pensioenen slechts beperkt. De bekende grens van €25.000 blijft bestaan, maar die grens betekent niet dat ieder Nederlands pensioen boven €25.000 automatisch in Nederland wordt belast.
Tegelijkertijd heeft België zijn eigen personenbelasting gewijzigd. Vooral voor hogere pensioeninkomens kunnen bepaalde belastingverminderingen vanaf aanslagjaar 2027 minder gunstig worden. Dat kan de netto-uitkomst beïnvloeden, maar het is een Belgische binnenlandse belastingwijziging die ook Belgische gepensioneerden raakt. Het is geen maatregel die speciaal tegen Nederlanders is gericht.
En dan is er sinds maart 2026 de uitspraak van de Hoge Raad. Die maakt juist duidelijker hoe Nederland met de €25.000-grens moet omgaan: het volledige relevante brutopensioen telt mee om te bepalen of de grens wordt overschreden, maar Nederland krijgt daarmee nog geen vrijbrief om vervolgens het volledige pensioen te belasten.
Voor Nederlanders die al jaren in België wonen en hun pensioen vanuit Nederland ontvangen, blijft het daarom vooral zaak om goed naar hun persoonlijke pensioenopbouw te kijken.
De vraag “Is België of Nederland fiscaal goedkoper?” klinkt eenvoudig. Bij pensioenen blijkt het antwoord meestal pas tevoorschijn te komen nadat je nog minstens vijf andere vragen hebt beantwoord.
Voor dit artikel heb ik de volgende bronnen gebruikt: Nederlandse Verdragenbank, Ministerie van Financiën, Tweede Kamerstukken over het nieuwe belastingverdrag Nederland-België, officiële verdragstekst van het belastingverdrag Nederland-België van 21 juni 2023, Belastingdienst, FOD Financiën België, Hoge Raad der Nederlanden, Rechtspraak.nl, CAK, BDO België, Meijburg & Co en EY België.
Dit artikel is geschreven door Eric Jan van Dorp, auteur van onder meer de Succesvol emigreren-boekenreeks en oprichter van Grenzenloos.nl.
☕ Vind je deze en alle andere informatie op onze site waardevol? Steun Eric Jan en zijn team met een kleine donatie en help Grenzenloos gratis en onafhankelijk te houden. Zie: Samen houden we het gratis!