Door Karin Wouters, auteur

Maar voor sommige kinderen is het juist een van de moeilijkste vragen die er zijn. Ze zijn geboren in het ene land, opgegroeid in een ander land en hun ouders komen misschien uit weer een ander land. Soms hebben ze een paspoort van een land waar ze nauwelijks hebben gewoond. Soms spreken ze thuis een andere taal dan op school. Soms voelen ze zich verbonden met een land dat voor anderen vooral een vakantiebestemming is.

Welk antwoord is dan goed? Het land waar je geboren bent? Het land van je ouders? Het land waar je nu woont? Of het land waar je je het meest thuis voelt, als dat al zo duidelijk is?

Wie ben je nou eigenlijk?

Kinderen die tussen landen opgroeien, worden vaak derdecultuurkinderen genoemd. In het Engels wordt meestal gesproken over Third Culture Kids. Het gaat om kinderen die een belangrijk deel van hun jeugd doorbrengen in een cultuur die anders is dan de cultuur van hun ouders. Daardoor ontstaat er als het ware een derde cultuur. Niet helemaal die van het land van herkomst, niet helemaal die van het land waar ze wonen, maar iets daartussenin.

Een kind dat zo opgroeit, draagt van elke plek een stukje mee. De taal van het ene land, de gewoontes van het andere, de feestdagen van weer ergens anders. Misschien eet het thuis Nederlands brood met hagelslag, viert het op school een nationale feestdag in Hongarije, Spanje of Zweden en praat het met vrienden in het Engels. Voor buitenstaanders kan dat interessant of zelfs mooi klinken, maar voor een kind zelf is het niet altijd makkelijk om er woorden aan te geven.

Op de vraag waar je vandaan komt, zou je eigenlijk een heel verhaal moeten vertellen. Maar dat verwacht niemand op een verjaardag. Daar wil iemand meestal gewoon een kort antwoord horen.

Dus kiezen deze kinderen vaak maar iets. Het land waar ze nu wonen. Het land dat in hun paspoort staat. Het land waar hun ouders vandaan komen. Of ze halen hun schouders op en zeggen: dat is een lang verhaal. En ondertussen voelen ze van binnen dat geen enkel antwoord helemaal klopt.

Een Nederlands paspoort, maar geen Nederlandse jeugd

Soms wordt het nog ingewikkelder. Stel je voor: je hebt een Nederlands paspoort en je spreekt gewoon Nederlands. Mensen gaan er dan vanzelf vanuit dat je Nederland ook van binnenuit kent. De liedjes van vroeger. De tv-programma’s waar iedereen het over had. De schoolreisjes. Sinterklaas op school. De grapjes die alleen werken als je in dezelfde omgeving bent opgegroeid.

Maar als je nooit echt in Nederland hebt gewoond, ken je die dingen helemaal niet of slechts van korte vakanties. Je weet misschien wel hoe Nederland eruitziet, maar je hebt er geen gewone woensdagmiddag doorgebracht. Je kent het land van familiebezoek, logeren bij opa en oma, een rondje supermarkt en misschien een paar weken zomer. Dat is iets anders dan er opgroeien.

Op papier ben je Nederlander. In het echt kun je je soms net zo goed een bezoeker voelen. Dan zegt iemand verbaasd: dat weet je niet? Maar je bent toch Nederlands?

Dat kan raar voelen. Soms zelfs ongemakkelijk. Je hoort er wel bij, maar ook weer net niet. Je herkent het land van je ouders, maar je hebt het zelf nooit helemaal van binnenuit meegemaakt. En andersom gebeurt hetzelfde in het land waar je woont. Daar ben je misschien ook niet helemaal van. Je spreekt de taal, kent de weg en hebt vrienden, maar iemand zal toch af en toe vragen waar je eigenlijk vandaan komt.

De mooie kant van tussen werelden leven

Dat leven tussen werelden heeft natuurlijk ook een mooie kant. Derdecultuurkinderen leren vaak al jong dat de wereld groter is dan het land waarin ze toevallig wonen. Ze horen meerdere talen om zich heen, merken dat gewoontes per land verschillen en ontdekken dat normaal niet overal hetzelfde betekent.

Dat kan veel opleveren. Ze schakelen vaak makkelijk tussen mensen en situaties. Ze voelen sneller aan hoe een groep werkt. Ze kijken meestal breder naar de wereld en vinden het minder vreemd dat mensen anders denken, eten, praten of geloven. Veel van deze kinderen worden ook vroeg zelfstandig, omdat ze steeds opnieuw hun weg moeten vinden.

Wie als kind in verschillende landen heeft gewoond, kan later vaak makkelijker omgaan met verandering. Niet omdat verandering altijd prettig is, maar omdat het vertrouwd is geworden. Je weet hoe het voelt om ergens nieuw binnen te komen. Je weet ook dat een onbekende plek na verloop van tijd toch een beetje eigen kan worden.

Maar afscheid doet ook iets met een kind

Daar staat iets tegenover. Steeds opnieuw beginnen en steeds weer afscheid nemen, doet iets met een kind. Vrienden achterlaten. Een kamer leeghalen. Een school verlaten waar je net je plek had gevonden. In een nieuwe klas binnenkomen waar de grapjes, codes en vriendschappen allang bestaan.

Volwassenen zeggen dan vaak dat kinderen flexibel zijn. Dat is ook zo, tot op zekere hoogte. Kinderen kunnen zich aanpassen, soms sneller dan hun ouders. Maar aanpassen is niet hetzelfde als nergens last van hebben. Ook een kind dat vrolijk lijkt, kan verdriet hebben om wat is achtergelaten.

Soms komt dat verdriet pas later. Bij een verhuizing zelf is er veel te regelen. Een nieuwe school, een nieuw huis, nieuwe routes, nieuwe gezichten. Pas als het gewone leven weer begint, dringt door wat er weg is. De vriend met wie je elke dag naar school fietste. De buurvrouw die altijd zwaaide. De geur van een straat na regen. De kleine dingen die je pas mist als ze er niet meer zijn.

En dan blijft die ene vraag hangen: waar is thuis eigenlijk?

Het stopt niet bij kinderen

Wat veel mensen niet weten, is dat die vraag niet vanzelf verdwijnt als zo’n kind volwassen wordt. Hij komt terug bij keuzes over studie, werk, relaties en de plek waar je wilt wonen. Waar hoor ik thuis? Waar wil ik blijven? En kan ik eigenlijk nog wel lang op één plek blijven?

Sommige volwassen derdecultuurkinderen voelen zich overal thuis. Anderen voelen zich juist nergens helemaal thuis. En vaak is het allebei tegelijk. Ze kunnen genieten van nieuwe landen, nieuwe mensen en nieuwe talen, maar tegelijk verlangen naar iets wat steviger voelt. Een plek waar niemand vraagt waar ze vandaan komen. Een plek waar het antwoord vanzelf spreekt.

Misschien herken je dat bij een kind of kleinkind dat in het buitenland opgroeit. Misschien herken je het bij jezelf, omdat je vroeger zelf zo iemand was. Of misschien zie je het pas nu, omdat je als ouder vooral bezig bent met de praktische kant van emigreren. Het huis, de school, de zorgverzekering, het werk, de papieren. Allemaal belangrijk, natuurlijk. Maar ondertussen gebeurt er bij kinderen nog iets anders. Ze bouwen aan hun identiteit in meer dan één land tegelijk.

Wat helpt als ouder?

Gelukkig kun je als ouder veel doen, en meestal hoeft dat niet ingewikkeld te zijn. Het begint met erkennen dat alle landen uit het leven van je kind mogen blijven bestaan. Een vorig land hoeft geen afgesloten boek te worden. Verhalen, foto’s, woorden, liedjes, eten en gewoontes mogen mee verhuizen. Niet alles hoeft plaats te maken voor het nieuwe land.

Het helpt ook om hardop te zeggen dat je kind niet hoeft te kiezen. Je mag van meer dan één plek zijn. Je mag Nederlands zijn en tegelijk ook iets van Zweden, Spanje, Portugal, Hongarije, Frankrijk of welk land dan ook met je meedragen. Dat hoeft elkaar niet uit te sluiten.

Daarnaast is het belangrijk dat een kind ergens niet hoeft te schakelen. Op school past het zich aan. Op straat ook. Bij vriendjes misschien weer. Daarom is thuis zo belangrijk. Thuis mag een kind even landen. Daar hoeft het niet steeds uit te leggen wie het is, welke taal het spreekt of waar het vandaan komt. Daar mag het gewoon zichzelf zijn, ook als dat zelf soms uit meerdere stukjes bestaat.

Blijf vooral nieuwsgierig. Een kind kan zich vandaag helemaal thuis voelen en morgen alles stom vinden. Dat is niet meteen een groot probleem. Het hoort bij opgroeien, en misschien nog iets sterker bij opgroeien tussen landen. Luisteren helpt dan vaak beter dan meteen geruststellen. Soms wil een kind niet horen dat het allemaal wel goed komt. Soms wil het alleen dat iemand begrijpt dat het ingewikkeld voelt.

Van overal een beetje

En dan blijft die vraag: waar kom je vandaan?

Misschien is het eerlijkste antwoord wel: van overal een beetje. Van het land waar je geboren bent. Van het land waar je ouders vandaan komen. Van de plekken waar je hebt gewoond. Van de scholen waar je vrienden maakte. Van de talen waarin je hebt gelachen, gehuild en ruzie gemaakt.

Dat is geen probleem. Tussen werelden staan betekent niet dat je nergens thuishoort. Het kan ook betekenen dat je op meerdere plekken thuis bent.

Voor ouders die willen emigreren of al geëmigreerd zijn, is dat goed om te beseffen. Je kind krijgt door een internationale jeugd veel mee. Soms meer dan je zelf doorhebt. Maar het heeft ook woorden nodig voor wat het kwijtraakt, meeneemt en opnieuw opbouwt. Want een kind dat leert dat het niet hoeft te kiezen tussen alle stukjes van zichzelf, staat later vaak steviger in de wereld.

Een kind dat leert dat het niet hoeft te kiezen tussen alle stukjes van zichzelf, kan later steviger in de wereld staan. Het weet misschien niet altijd precies waar het vandaan komt, maar wel dat een mens uit meer dan één plek kan bestaan.


Dit artikel is geschreven door Karin Wouters, auteur van de bestseller Succesvol emigreren met kinderen. Het handboek voor ouders die overwegen om met kinderen elders te gaan wonen.

Nieuwsbrief

Blijf altijd op de hoogte van onze nieuwste uitgaves

Doneren

Grenzenloos.nl is volledig vrij van advertenties. Alleen samen kunnen we zorgen dat dit zo blijft.

Doneren
© 2026 Grenzenloos - Design & realisatie door Webheads