Door C.L. Wouters

Heiko schrijft vanuit het platteland van Småland en gebruikt zijn eigen ervaringen als spiegel. Hij kreeg na de emigratie (mei 2017) vaak dezelfde vraag: “Bevalt het? Is het daar beter?” En meteen zet hij de toon: “beter” bestaat niet als objectief antwoord, maar “wat voelt beter” wél. Hij is ook eerlijk over die beroemde roze bril in het begin, en over het feit dat cultuur juist in kleine dingen zit. Dingen waar je je nauwelijks op kunt voorbereiden, omdat je ze pas ziet als je er middenin staat. Daarom wil hij de verschillen beschrijven waar hij zelf tegenaan liep, zodat jij als toekomstige emigrant minder vaak met open mond naar een situatie staat te kijken.  

Observatiegids

Het boek leest daardoor als een praktische, vaak grappige observatiegids. Heiko trekt je niet door een chronologische emigratiereis, maar door thema’s. Je begint meteen bij iets heel gewoons: eten. Hij beschrijft hoe hij en zijn vrouw Joke ontbijten met brood, knäckebröd en Zweedse kaas, maar ook met typisch Nederlandse troost zoals hagelslag die ze steeds uit Nederland meenemen, omdat je het in Zweden niet of nauwelijks vindt. Op zijn werk kijken collega’s daar bijna geschokt naar, want zoet op brood voelt voor hen alsof je snoep op je boterham strooit. Tegelijk zijn Zweden juist dol op zoetigheid bij koffie en fika, wat die verbazing extra komisch maakt. Hij laat ook zien dat gewoontes verschuiven. Zweden eten vaak twee keer per dag warm, nemen restjes mee in een bakje en warmen die op het werk op, terwijl Heiko en Joke juist vaak bij een broodje blijven. En als je dan ineens stamppot boerenkool wilt maken, komt de reality check: rookworst is niet vanzelfsprekend. Dan ga je improviseren met elandworst, hertenvlees of Falukorv, en ontdek je dat “integreren” soms gewoon betekent dat je leert koken met wat er wél is. Het boek zit hier vol van dit soort kleine botsingen die niet dramatisch zijn, maar wel heel tekenend voor je nieuwe dagelijkse leven.  

Eten

Dat eten loopt vanzelf door in het sociale leven. Heiko beschrijft fika als veel meer dan “koffie drinken”. Het is een pauzemoment met aandacht, vaak aan de keukentafel, met veel (zelfgemaakt) lekkers. En dan maak je als Nederlander natuurlijk de beginnersfout door meteen het grootste stuk taart te pakken, om daarna pas een koekje te nemen. In Zweden werkt dat andersom. Je begint klein en eindigt groot. Het is een detail, maar precies dát is de kern van het boek: het nieuwe land corrigeert je niet hardop, maar je voelt opeens dat je ‘niet weet hoe het hoort’. En toch krijg je meestal geen afkeurende reactie, eerder een lach en een “geweldig dat je meedoet”, omdat Zweden waarderen dat je het probeert.  

Natuur

Na het eten schuift het boek op naar de natuur, en daar hoor je de liefde van Heiko bijna tussen de regels door. Op het Zweedse platteland woon je niet “tussen de weilanden”, maar in en aan het bos. Reeën, vossen, wilde zwijnen en elanden zijn geen dierentuinidee, maar onderdeel van de omgeving. Je merkt hoe sterk hij leeft met dat buitengevoel: altijd bijna een camera mee, want je weet nooit wanneer je een vos ziet poseren langs een berm of wanneer een eland in precies het juiste licht verschijnt. Tegelijk laat hij ook zien dat het niet alleen idyllisch is. Wilde zwijnen kunnen schrik aanjagen, zeker in schemering en donker, en ze zijn sneller dan je denkt. Zijn verwondering is heel aanstekelijk: soms kinderlijke bewondering, soms pure spanning, vaak humor achteraf. En steeds weer dat besef dat jij in Zweden niet “naar de natuur gaat”, maar dat de natuur gewoon om je heen leeft en je dagritme beïnvloedt.  

Loppis

In datzelfde nuchtere, praktische register schrijft hij over hoe Zweden omgaan met spullen. Het hoofdstuk over “loppis” is eigenlijk een miniportret van een cultuur die minder snel weggooit. Een loppis is niet alleen een kringloopwinkel, maar ook iets dat mensen gewoon bij huis hebben. Heiko en Joke beginnen er zelf één, deels om spullen kwijt te raken, maar ook om contact te krijgen met mensen. Dat levert ontmoetingen op met Zweden en toeristen, en het laat zien hoe makkelijk je in Zweden via iets simpels in gesprek raakt. Tegelijk is het ook een mentaliteit: kapot is niet automatisch afval. Heiko verkoopt defecte apparaten via Marketplace aan handige mensen die het repareren. Of hij bouwt zelf dingen van hout, omdat er materiaal is, omdat het kan, en omdat “zelf doen” op het platteland bijna logisch voelt. Dat past bij Småland, dat in het boek ook wordt neergezet als een regio waar zuinigheid en hergebruik bijna een sport zijn.  

Vanaf daar wordt het boek breder. Het gaat niet alleen over sfeer, maar ook over hoe het land functioneert. Zweden heeft meer ruimte per inwoner, andere afstanden en dus ook een ander gevoel bij “even ergens heen”. Familiebezoek is niet spontaan “na het werk nog even langs”, maar al snel een rit die je plant. Je merkt dat Heiko hiermee een belangrijk emigrantenpunt raakt: je sociale netwerk verandert niet alleen doordat je vertrekt, maar ook doordat afstand in Zweden echt afstand is. Dat maakt het leven rustiger, maar soms ook stiller.  

Taal en omgang

Een paar hoofdstukken laten je proeven aan Zweedse gewoontes in taal en omgang. Hij beschrijft hoe namen, bijnamen en aanspreekvormen anders werken, en hoe je als Nederlander soms te direct of te “corrigerend” kan overkomen zonder dat je het doorhebt. Zweden zijn vaak minder geneigd om je openlijk te verbeteren of te beoordelen. Dat voelt vriendelijk, maar het kan ook betekenen dat je langer rondloopt met een misverstand, omdat niemand je even recht voor z’n raap op het juiste spoor zet. Precies daarom werkt dit boek goed: Heiko benoemt de kleine culturele botsinkjes waar je later misschien pas achter komt.  

Zweedse producten

Daarna maakt hij een uitstap naar wat er “zoal uit Zweden komt”. Dat is een speels hoofdstuk waarin je merkt dat hij fan is, niet alleen van het landschap, maar ook van Zweedse producten en cultuur. Denk aan Volvo en Saab, maar ook aan de achtergrond daarvan. Hij vertelt bijvoorbeeld dat Saab niet alleen auto’s is, maar ook defensie-industrie, en hij noemt de driepuntsgordel als Zweedse uitvinding. Het zijn van die weetjes die je niet nodig hebt om te emigreren, maar die wel bijdragen aan zijn grotere boodschap: je verhuist niet naar een decor, je verhuist naar een samenleving met eigen trots, geschiedenis en vanzelfsprekendheden.  

Praktisch wordt het weer bij de onderwerpen rond wonen, klussen en kosten. Heiko beschrijft dat Zweden anders naar onderhoud en kluswerk kijkt, onder meer via systemen waarbij je belastingvoordeel kunt krijgen op bepaalde diensten. Hij laat zien dat het plattelandsleven ook echt een technisch leven is. Je rijdt meer kilometers, je hebt vaker een auto nodig, je denkt anders over onderhoud, banden, verlichting en veiligheid, omdat je in het donker en op rustige wegen rijdt waar ook dieren oversteken. Het boek blijft daarbij lekker “vanuit de praktijk” geschreven. Niet als droge uitleg, maar als: dit overkwam ons, dit merkten wij, dit lossen mensen hier zo op.  

Electriciteit

Een van de meest concrete en nuttige delen gaat over elektriciteit. Op het Zweedse platteland draait bijna alles op stroom, simpelweg omdat gas geen vanzelfsprekendheid is. Heiko maakt heel helder hoe kwetsbaar je dan bent bij stroomuitval. Geen stroom betekent soms ook: geen verwarming, geen water uit je eigen pomp, geen internet, geen apparaten. Hij beschrijft hoe ze hun systeem aanpassen zodat ze essentiële onderdelen (zoals circulatiepomp en waterpomp) via een noodaggregaat kunnen laten draaien. Dit is typisch zo’n hoofdstuk waarvan je denkt: dit klinkt allemaal logisch, maar je bedenkt het vaak pas als je er woont. En juist daardoor werkt het boek zo prettig voor iemand die emigratieplannen heeft: je krijgt een realistisch beeld zonder dat het onheilspellend wordt.  

Taalblunders

Richting het einde wordt het luchtiger en speelser. Heiko heeft zichtbaar plezier in taalblunders en woordgrappen, vooral omdat Zweeds voor Nederlanders soms heel “verkeerd” kan klinken. Hij beschrijft bijvoorbeeld een huis met het woord “sex” op de gevel, wat in het Zweeds simpelweg “zes” is, en woorden met “bil” die voor Nederlanders als “billen” voelen, terwijl het gewoon “auto” betekent. Ook Google Translate moet het ontgelden, met vertalingen die zó absurd zijn dat je er alleen maar om kunt lachen. Je voelt hier: dit is de fase waarin je je al thuis genoeg voelt om niet meer alles serieus te nemen. Je hoort de ontspanning van iemand die de taal steeds beter beheerst en daardoor juist de fouten grappiger gaat vinden.    

Het laatste inhoudelijke hoofdstuk over spreekwoorden en gezegden past daar perfect bij. Heiko legt uit hoe lastig dit is als je net Zweeds leert, omdat je spreekwoorden niet in taalapps leert, maar in het echte leven. Sommige Zweedse uitdrukkingen lijken op Nederlandse, andere zijn net anders, en sommige zijn compleet ondoorgrondelijk als je ze letterlijk vertaalt. Dat levert niet alleen verwarring op, maar ook veel plezier, omdat je door die uitdrukkingen ineens beseft hoe vreemd je eigen Nederlandse gezegden eigenlijk ook zijn als je er kritisch naar kijkt.  

“Begin opnieuw”

In de epiloog trekt Heiko zijn eindconclusie strak. Hij beschrijft hoe je op latere leeftijd emigreert met een rugzak vol automatische Nederlandse gewoontes, regels en reflexen. En dan komt zijn belangrijkste les: je denkt dat je die bagage meeneemt als “handig”, maar in de praktijk zit het je ook in de weg. Zijn advies klinkt bijna streng, maar is bevrijdend bedoeld: vergeet (bijna) alles en begin opnieuw. Je gaat situaties tegenkomen die anders zijn. Soms beter, soms niet beter, soms volledig nieuw. En je hebt die ontdekkingstocht niet in vijf of zes jaar afgerond. Het boek is daarmee geen “Zweden is perfect”-verhaal, maar een boek dat je uitnodigt om nieuwsgierig te blijven, je eigen aannames te parkeren en de verschillen als leerstof te zien. Als je dat kunt, ben je na het lezen “meer beslagen ten ijs”, schrijft hij, en is de kans dat je in valkuilen stapt iets kleiner. Helemaal verdwijnen doen ze nooit, maar je loopt er wel minder blind in.  

De sfeer van het boek is daardoor warm en nieuwsgierig, met veel humor en zelfspot, maar ook met respect voor het land waar ze wonen. Het voelt alsof je bij iemand aan de keukentafel zit die zegt: ik ga je niet vertellen dat jij dit ook moet doen, maar ik ga je wel laten zien hoe het bij ons écht ging. En juist als je naar Zweden wilt emigreren, is dat precies wat je zoekt.  

Conclusie

Dit boek is heerlijk om te lezen als je naar Zweden wilt emigreren, omdat het je op een ontspannen manier laat zien hoe het leven daar er écht uitziet, zonder verkooppraatjes en zonder drama. Heiko Leugs beschrijft de verschillen met Nederland juist in de kleine dingen die je straks dagelijks tegenkomt: eten, fika, taalblunders, wonen op het platteland, omgaan met afstanden, natuur om je heen en praktische zaken zoals stroom en onderhoud. Daardoor krijg je een realistischer beeld van Zweden, maar wel met veel humor en herkenning, waardoor je na afloop niet alleen beter voorbereid bent, maar ook zin krijgt om het zelf te gaan ervaren.

👉🏻 Zweden. Wat een verschil kost slechts €15,- en is hier te bestellen.

Nieuwsbrief

Blijf altijd op de hoogte van onze nieuwste uitgaves

© 2026 Grenzenloos - Design & realisatie door Webheads